2. Bepalingen inzake experimenten met een variabele maximumsnelheid
2.1 Algemeen
Verder heeft het onderhavige besluit tot doel enkele wijzigingen aan te brengen in hoofdstuk VII van het BABW. Dit hoofdstuk regelt onder welke voorwaarden de Minister van Infrastructuur en Milieu een tijdelijk verkeersbesluit kan nemen ten behoeve van een experiment met een variabele maximumsnelheid op een of meerdere wegvakken onder beheer van het Rijk. Een dergelijk experiment heeft tot doel inzicht te verkrijgen in de volgende effecten van een variabele maximumsnelheid: de verkeerskundige effecten, de effecten op de geluidbelasting en de luchtkwaliteit, de gevolgen voor de verkeersveiligheid en de effecten op de naleving van de maximumsnelheid. Een dergelijk tijdelijk verkeersbesluit -een zogenaamd experimentverkeersbesluit -kan ten hoogste voor de duur van twee jaar gelden. Ook volgt uit dit hoofdstuk dat de Minister van Infrastructuur en Milieu bij het nemen, wijzigen of intrekken van een dergelijk verkeersbesluit kan afwijken van bepaalde artikelen uit de Wet geluidhinder, het BABW en de Uitvoeringsvoorschriften BABW inzake verkeerstekens. De bevoegdheid om te mogen afwijken van hoofdstuk II, paragraaf 4, van de Uitvoeringsvoorschriften BABW inzake verkeerstekens leidt er bijvoorbeeld toe dat geëxperimenteerd kan worden met hogere maximumsnelheden die op grond van die uitvoeringsvoorschriften nog niet worden toegepast.
2.2 Verruiming van de mogelijkheden tot wijziging en intrekking van een experimentverkeersbesluit
Artikel II, onderdeel F (wijziging van artikel 60f van het BABW)
Door middel van het onderhavige besluit wordt de bepaling waaruit volgt dat de Minister experimentverkeersbesluiten slechts kan wijzigen en intrekken in het geval zich tijdens het experiment onvoorziene omstandigheden of ontoelaatbare effecten voordoen, geschrapt. Ook in andere gevallen kan het wenselijk zijn om een experimentverkeersbesluit te wijzigen of in te trekken. Het intrekken van een experimentverkeersbesluit kan bijvoorbeeld eveneens gewenst zijn, indien het niet de bedoeling is dat na afloop van dat tijdelijke besluit de maximumsnelheid op een bepaald wegvak uit het experiment weer wordt weergegeven met behulp van verkeersborden. Op het moment dat het experimentverkeersbesluit van rechtswege vervalt, wordt er namelijk weer een verkeersbesluit van kracht op grond waarvan borden worden geplaatst waarmee de maximumsnelheid kan worden weergegeven. Het intrekken van het experimentverkeersbesluit kan daarom in sommige gevallen meer voor de hand liggen dan het afwachten van het moment waarop het van rechtswege vervalt.
2.3 Wijziging in verband met samenvoeging van ministeries
Artikel II, onderdeel B, subonderdeel 3 (wijziging van artikel 60a, tweede lid, van het BABW)
De verplichting voor de Minister van Verkeer en Waterstaat om de wegvakken waarop een experiment zal worden gehouden, aan te wijzen ná overleg met de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer wordt geschrapt. Deze verplichting is overbodig geworden, omdat bij koninklijk besluit geregeld is dat de Minister van Infrastructuur en Milieu de taken en bevoegdheden van deze beide ministers heeft overgenomen.
2.4 Herformulering van enkele bepalingen
Artikel II, onderdelen A, subonderdeel 1, B, subonderdeel 1, D, E, en G (wijziging van artikel 60, eerste lid, van artikel 60a, eerste lid, onderdeel b, van artikel 60e, tweede lid, en van artikel 60g van het BABW en het vervallen van artikel 60d van het BABW)
Dit eerste type redactionele aanpassingen heeft tot doel enkele bepalingen uit hoofdstuk VII van het BABW zodanig te herformuleren, dat deze meer overeen zullen komen met in het wegenverkeersrecht gebruikte, aanverwante formuleringen.
2.5 Correctie van taalkundige onvolkomenheden
Artikel II, onderdelen A, subonderdeel 2, B, subonderdeel 2, en C (wijziging van artikel 60, tweede lid, onderdeel c, van het BABW, wijziging van artikel 60a, eerste lid, onderdeel c, van het BABW en wijziging van artikel 60c, tweede lid, onderdeel d, van het BABW)
Dit tweede type redactionele aanpassingen bestaat uit de correctie van enkele taalkundige onvolkomenheden in de artikelen 60, 60a en 60c van het BABW.
3. Handhaving
Een ontwerp van het onderhavige besluit is voorgelegd aan het College van Procureurs-Generaal en aan de Expertgroep Voorbereiden van vtsPN (voorziening tot samenwerking Politie Nederland). Zowel het college, als de expertgroep heeft geen kanttekeningen geplaatst bij de handhaafbaarheid van het ontwerp.
4. Milieu
De onderhavige wijziging van artikel 21, onderdeel a, van het RVV 1990 zal niet in werking treden voordat het onderzoek naar de gevolgen van de verhoging van de maximumsnelheid naar 130 km per uur voor emissies naar de lucht is afgerond. In het najaar van 2011 besluit ik op welke wegvakken de maximumsnelheid van 130 km per uur ingevoerd zal worden. Die beslissing zal ik nemen op basis van een uitgebreide analyse van de effecten van de snelheidsverhoging, waarbij ik ook de uitkomsten van het experiment met een dynamische maximumsnelheid tot 130 km per uur op de A2, de A6, de A7, de A16, de A17, de A32, de A37 en de A58 zal betrekken. Bij de snelheidsverhoging zullen de wettelijke normen ten aanzien van geluidhinder en luchtkwaliteit en de beleidsdoelen ten aanzien van broeikasgassen gerespecteerd worden. Voor zover er door de verhoging van
de maximumsnelheid naar 130 km per uur milieueffecten optreden, zullen deze binnen de wettelijke normen blijven. Dit betekent dat het -om binnen die wettelijke normen te blijven -op bepaalde wegvakken van de autosnelwegen nodig kan zijn om compenserende maatregelen te treffen, de maximumsnelheid slechts een deel van de dag te verhogen naar 130 km per uur of de maximumsnelheid helemaal niet te verhogen naar 130 km per uur. Op wegvakken waar de maximumsnelheid niet verhoogd kan worden naar 130 km per uur zal ik met verkeersborden A1 en A3 een lagere maximumsnelheid instellen.
5. Administratieve lasten
Het onderhavige besluit leidt niet tot administratieve lasten voor burgers of bedrijven.
1 Kamerstukken II 2010-2011, 32 646, nr. 1.
2 Verkeersborden A1 en A3 van bijlage 1 bij het RVV 1990.
3 Dit volgt uit artikel 63 van het RVV 1990.
4 Experiment op basis van het experimentverkeersbesluit van 4 februari
2011. Zie de bekendmaking van de zakelijke inhoud (Stcrt. 2011, 2549).


